Dorpen waren eigenlijk niet meer dan een paar boerenerven naast elkaar. De boerderij bestond uit een ruimte, waar zowel plaats was voor mensen als dieren. Vooral 's winters was dat handig, want dan hielden mens en dier elkaar warm. Naast akkerbouw hielden de Germanen koeien, schapen, geiten en kippen en af en toe gingen ze op jacht of vingen vissen.